Studentenraad

Blog: Prikkels voor beleidsmakers

Waarom voeren steeds meer universiteiten een BSA in? Waarom krijgen steeds meer masters aanvullende toelatingseisen? De manier waarop het onderwijs in Nederland georganiseerd wordt, is natuurlijk geen gesloten systeem. Toch zijn er een aantal actie- en reactieketens te ontrafelen, die ten grondslag liggen aan veranderingen binnen de Nederlandse universiteiten. Een goed voorbeeld is het “studiesucces”: Het percentage studenten dat binnen vier jaar afstudeert. Waar komt de focus op dit onderwerp vandaan?

Studierendement is uiteraard één van de onderwerpen waar de FSR uitgebreid met het bestuur van de faculteit over praat. Hieruit volgen namelijk vele maatregelen voor het onderwijs, die niet altijd even goed in de smaak vallen bij de studentenraad. De FSR hoort dan vaak dat de studierendementen opgeschroefd worden “omdat het College van Bestuur van de UvA het wil”. De faculteit moet van het centrale UvA bestuur aan bepaalde cijfers of percentages voldoen en moet daardoor noodgedwongen bepaalde (strenge) maatregelen invoeren. Op basis van deze percentages krijgt de faculteit geld van de universiteit en niet aan de eisen van het College voldoen, betekent minder geld. Het is dan ook niet geheel onlogisch dat facultaire bestuurders ervoor kiezen om de percentages op te schroeven, meer geld zou immers ook kunnen resulteren in meer onderwijskwaliteit.

Richt de FSR of de CSR zich dan vervolgens op het centrale bestuur, dan stuit de studentenraad gek genoeg op een soortgelijke redenatie. De overheid heeft met alle universiteiten in Nederland prestatieafspraken gemaakt en dat is de reden dat er ingezet wordt op studierendement. Voor de prestatieafspraken is 7% van de bekostiging ingehouden en dit wordt opnieuw onder de universiteiten verdeeld, afhankelijk van hoe goed ze zich aan de afspraken houden. Heeft de Universiteit Utrecht dus meer snelle studeerders dan de UvA, dan krijgt Utrecht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) meer geld. De UvA heeft veel studenten om te onderwijzen en heeft de afgelopen jaren al vaker te maken gehad met bezuinigingen. Is het vreemd dat de bestuurder kiest voor snelstudeermaatregelen?

Het ministerie van OCW heeft op haar beurt weer haar redenen om te kiezen voor de strikte percentages en de kwantitatieve afspraken. Onderwijskwaliteit is namelijk erg moeilijk te meten, terwijl de Nederlandse kiezer wel behoefte heeft aan duidelijkheid. De minister moet kunnen verantwoorden waar het geld van de belastingbetaler heengaat en dus wordt er gezocht naar meetbare elementen van de universiteit. De verhouding lang- en kortstudeerders is dan, evenals het aantal publicaties per onderzoeker, een voor de hand liggende kwantificatie. Bovendien is de gedachte dat de minister op deze manier makkelijk kan bijsturen wanneer een universiteit onder niveau presteert. Probeer maar eens een eerlijkere of betere maatstaaf te vinden die de kwaliteit van het universitair onderwijs meet.

De Nederlandse kiezer heeft het op zijn beurt ook niet gemakkelijk. De Nederlandse economie maakt zware tijden door. Misschien is de kiezer nog zo overtuigd van het belang van veel hoger opgeleide studenten (of misschien zelfs: bèta’s) in Nederland, de keuze in het stemhokje blijft lastig. In ieder geval durft er geen meerderheid zich uit te spreken voor minder druk op het studierendement en is het ook lastig partijen te zoeken die pleiten voor een cultuuromslag.

Terug naar de facultaire studentenraad. Wij hebben de afgelopen jaren gezien dat er veel maatregelen zijn geweest om de cultuur op de universiteit te veranderen, van gemiddeld jarenlang studeren naar kort en doelgericht door je studie heen gaan. Het is lastig tegen een enkele maatregel te ageren, maar het geheel aan werkdrukverhogende maatregelen baart zorgen. De FSR heeft over dit soort beleidsstukken over het algemeen geen instemmingsrecht en richt zich daarom vaak op de hardheidsclausules. Wat als een student er niets aan kon doen dat hij niet snel genoeg studeerde? Hoe kan iemand bezwaar maken tegen een oneerlijk oordeel? Hoewel de FSR zich daar met alle goede bedoelingen op stort, leidt dit over het algemeen toch tot langere regels en meer bureaucratie. Ook dit draagt uiteindelijk bij aan de veranderende cultuur op de universiteit, ondanks dat de FSR het tegenovergestelde beargumenteert.

Wie moet er dan de cirkel doorbreken? Wanneer is het “genoeg” met de verhoging van het studierendement? Uiteraard is dit alles een verkorte en vereenvoudigde weergave van de daadwerkelijke processen en uiteraard is het systeem niet gesloten. Toch heeft het wel parallellen aan de werkelijkheid. Het biedt in ieder geval stof tot nadenken en dus horen wij als facultaire studentenraad graag hoe jij erin staat. Heb jij een oplossing voor deze vraagstukken? Mail het naar fnwi@studentenraad.nl of kom langs in A1.26. We zijn hierover nog lang niet uitgepraat.